Koningskaars

De onderbroek van Onze Lieve Heer

Hebben jullie al eens gehoord van een plant met als naam ‘De onderbroek van Onze Lieve Heer?’

Nee, dan moet ik jullie hier iets over vertellen Het is bijna één van de langste planten die in het wild in ons land voorkomt, namelijk de Koningskaars (Verbascum thapsus).

Met de volksnamen Aronstaf, Koningskaars, Stalkaars maar meestal met de naam Toorts aangeduid. Het is niet zo verwonderlijk dat men vroeger de namen ‘kaars of toorts’ aan deze plant gaf. De gedroogde stengel werd vroeger in de olie gedoopt en als kaars of toorts gebrand.

In Engeland heeft men een merkwaardige volksnaam aan deze plant gegeven, namelijk ‘Lord’s – flannels’ wat vrij vertaald de onderbroek van Onze Lieve Heer betekent. Deze naam zal niet beledigend bedoeld zijn, maar waarschijnlijk slaan op de wit-viltige beharing van de bladeren en stengels, die wel wat weg hebben van flanel of wol.

Ook bij ons en onze naaste buren zijn er een aantal namen die slaan op het wollige karakter van de plant. Zoals ‘zachtlap’ door de Groningers gebruikt en wat dacht u van het Vlaamse woord ‘Zokske’ wat voor onze Ollanders ‘sokje’ betekent. In andere streken wordt de naam ‘Wollekruid’ gebruikt.

Dodoens gebruikte de naam Mottencruyt: “Van der cracht oft werckinge van desen cruyde en vindt men niet bescreven anders dan dat in dit cruyt die motten ende scieters ter stont comen/ waer dat gheleyt oft gheworpen wordt gevonden”.

Door onze voorouders werd de Koningskaars als haargeneesmiddel gebruikt. Door zijn wollig uiterlijk dacht men dat het een goed middel zou zijn om de haargroei te bevorderen. Maar aangezien er onder de grootste geleerden nog steeds kaalhoofdige zijn, heeft dit middel maar weinig geholpen.

De fel geel gekleurde bloemen waren voor de oude Duitsers aanleiding om deze rijzige plant ‘Himmelbrand’ te noemen. Later door het volk verbasterd tot ‘Hillebrandt’. De naam gaf voor het volk aanleiding om aan het kruid een helende kracht tot te kennen om brandwonden te genezen.

De ‘Himmelbrand’ heeft een genezende kracht als men wijwater neemt en daarmee in de vorm van een kruis over het zieke lichaamsdeel sprenkelt en daarbij de volgende spreuk driemaal opzegt:

“Unsere liebe Frau geht über das Land,
Sie trägt den Himmelbrand in ihrer Hand.”

In de magische geneeskunde werd de Koningskaars, in de hand gehouden en als een bloedstollingsmiddel gebruikt. Daarvoor moet het kruid wel bij volle maan worden uitgegraven.

Als men ’s morgens bij een Koningskaars op de grond kijkt dan zie je rondom de stengel afgevallen bloementjes liggen. Dat komt omdat de bloementjes een korte levensduur hebben. Voor ons is dit heel gewoon. Onze voorouders dachten hier heel anders over. Zij dachten dat dit kwam door de elfjes die ’s nacht rondom de plant dansten en per ongeluk tegen de bloementjes stoten.

De Koningskaars komt voor in allerlei voorspellingen. Als de top naar het westen wijst komt er regen, naar het oosten mooi weer. Staan de bloemen zeer laag aan de stengel dan is er vroeg sneeuw te verwachten.

Stonden de bloemen boven aan ver uit elkaar, dan komt er pas sneeuw in januari of februari. Als er bladeren tussen de bloemen groeiden dan kon je, je schaatsen in het vet laten zitten en je lange latten wel aan de wilgen hangen.

Om te weten wie het langst zou leven werden door jonge meisjes van de zelfde leeftijd en tegelijkertijd op de dag van Sint Jan (24 juni) een Koningskaars geplukt. Deze werd opgehangen in hun slaapkamer. Het meisje van wie de stengel het eerst verdroogde zou jong sterven. Men kan natuurlijk ook zeggen hoe langer de stengel groen blijft, hoe ouder je wordt. Dit geloofde men in verschillende streken van Duitsland, Oostenrijk en Polen.

Visserslatijn, misschien? Volgens zeggen zou het zaad van de Koningskaars vissen verdoven. Wordt het zaad met iets verzwaard in het water geworpen dan zouden de vissen boven komen drijven en zo langzaam zwemmen dat je ze met de hand kunt vangen. Natuurlijk moet je wel snel zijn want de verdoving is ook zo weer uitgewerkt.

Bent u niet zo vlug met de handen, dan maar naar de visboer.

Georg Ketting